De Premier

Categorie: 
Langspeelfilm
Productiejaar: 
2016
Releasedatum: 
26/10/2016
Filmgenre: 
Thriller
Speelduur: 
113 minuten
Verdeler: 
K.F.D.
Regisseur: 
Scenarist: 
Carl Joos
Koen De Bouw
/  
De Premier
Wim Willaert
Dirk Roofthooft
Tine Reymer
Charlotte Vandermeersch
Stijn Van Opstal

Het gros van de Amerikaanse actiefilms vertrekt vanuit een kant-en-klare pitchsynopsis. Een ex-agent bezoekt zijn vrouw in een gigantische wolkenkrabber net als terroristen er een overval plegen, waarop hij vervolgens op zijn eentje de strijd aanbindt tegen de snoodaards. Een terrorist plaatst een bom in een bus en van zodra die bus te traag rijdt ontploft de bom. Een boertige politieagent gaat in het mondaine Beverly Hills op zoek naar de moordenaar van zijn partner. Het dochtertje van een boekhouder wordt ontvoerd en hij krijgt haar enkel maar levend terug te zien wanneer hij een gouverneur vermoordt. Verhip, die laatste pitch lijkt wel heel erg goed op de eenzinsamenvatting van Erik Van Looys Vlaamsamerikaanse actiethriller “De Premier”. Hier worden immers de vrouw en twee kinderen van de Belgische eerste minister ontvoerd en hij krijgt ze pas levend terug te zien wanneer hij diezelfde dag nog de Amerikaanse presidente neerschiet die op bezoek is in Brussel. Een overeenkomst die geenszins poneert dat “De Premier” plagiaat is, maar wel dat Van Looy de inspiratie over de grote plas is gaan zoeken voor zijn nieuwste blockbuster. Begrijpelijk, daar Van Looy grote fan is van Amerikaanse popcorncinema, zelfs al toen hij als jonge snaak recensies schreef voor het maandblad Cinema Magazine en daarvoor veelvuldig een van zijn Amerikaanse helden mocht interviewen. Logisch dat als je de kans krijgt om zelf zo’n film te maken, die met beide handen grijpt.

Dat Van Looy weet hoe hij Amerikaanse cinema naar onze contreien kan vertalen weten we al van “De Zaak Alzheimer” en “Loft”, twee terecht geprezen genrefilms die zonder blikken of blozen ook internationaal gezien mochten en nog steeds mogen worden. Van “De Premier” kan helaas niet hetzelfde worden gezegd. En daar zijn nogal wat redenen voor. De voornaamste is dat het zelfs binnen de grenzen van het ‘suspension of disbelief’ meermaals spaak loopt. Zozeer zelfs, dat je hier kan spreken over een ‘dimension of disbelief’. Om mee te zijn met een film is het primordiaal dat de plot zelfs binnen een onwaarschijnlijke setting toch nog steeds geloofwaardig is of erin slaagt om zodanig te entertainen dat elke mogelijke tegenkanting buitenspel wordt gezet. Twee zaken waar “De Premier” de mist ingaat.

De aftrap is nochtans veelbelovend: de scène waarin eerste minister Koen De Bouw wordt ontvoerd is snedig en fris. Hoe verder de plot zich ontwikkelt, hoe oninteressanter alles wordt. Zolang het script zich toespitst op de machinaties van de actiethriller zit Van Looy er boenk op. Tijdens de confrontatie tussen Charlotte Vandermeersch en bad guy Stijn Van Opstal in het toilet bijvoorbeeld. Van Looys pogingen om menselijkheid en empathie toe te voegen zijn dat minder. Meer zelfs, een plotrevelatie is er zo bij de haren bijgesleurd dat ze geen enkele relevantie heeft en de beoogde empathie zelfs een deuk verkoopt. Ook het importeren van de Amerikaanse genreclichés werkt niet altijd: het wel heel on-Vlaams ogende huis waarin De Bouw woont zet al meteen de toon, net zoals het mazige schuilplaatsnetwerk van de samenzweerders. Van Looy toont dat hij Amerikaans kan filmen, maar dat maakt het resultaat niet geloofwaardiger of interessanter. Ook de one-liners spuiende Van Opstal past enkel logisch in het kader van de Amerikaanse B-actie. Als het zijn taak is om De Bouw in de gaten te houden en te zorgen dat alles volgens plan verloopt en er geen onvoorziene zaken gebeuren dan is grijnzend knipogen naar een medewerker die het plan kan dwarsbomen naast genrecliché ook narratieve lapsus.

Idem dito voor de plot zelf: waarom vermoorden jullie de president niet in Amerika, klinkt het op een bepaald moment. Er volgt weliswaar een afdoende uitleg waarom de aanslag hier moet gebeuren, maar die lijkt eerder op een karamallenvers dan op een logisch ‘ah ja, natuurlijk’-evangelie. Van Looy en coscenarist Carl Joos komen met een script op de proppen dat mechanisch in elkaar klikt en nooit boven dat piepend mechanisme weet uit te stijgen. Erg zou dat niet zijn, wanneer je op het eind van de rit juichend en joelend uit de B-rollercoaster komt. Het lamlendige en totaal ongeloofwaardige slotakkoord zet dat potentiële juichen echter finaal op de helling: De Bouw vindt zijn vrijheid niet door zijn eigen spitsvondigheid maar door een lui scenario. Zogezegd briljante criminelen die op het eind plots minder scoren op een IQ-test dan Kwak en Boemel … er zijn al voor minder gefronste wenkbrauwen teruggevonden op het cinemapluche.

Als regisseur blijft Van Looy met “De Premier” netjes overeind, als verhalenverteller helaas niet. Dat is misschien niet erg voor wie sinds “Loft’ hoop en al twee keer naar de cinema is geweest en graag eens naar een quiz kijkt op Vier. De kans dat de cinemalijmsnuivende medemens voor wie de bioscoop een tweede biotoop is zo vergevingsgezind zal zijn, is eerder klein. Vorige – en hopelijk ook – volgende keer beter, Erik.

 

 

Alex De Rouck